Oprichting
Toen de zaak een goede keer leek te nemen, inmiddels was het al 1930, schreef het comité een vergadering uit in het Weeshuis, waarvoor alle Genemuider voetballers via mond-tot-mondreclame werden uitgenodigd. Wanneer die vergadering was, weten we niet precies, maar we nemen aan, dat het 22 oktober 1930 was, omdat Sportclub op die vergadering werd geboren.
Een enkeloud stuk noemt 14 oktober als oprichtingsdatum.
Het werd geen gemakkelijke bevalling: de vergadering was nogal roerig, elk voorstel werd beantwoord met een tegenvoorstel, maar uiteindelijk kwam de nieuwe club er. Het voorbereidingskomitee werd bestuur, vanuit de vergadering werd daar de zeventienjarige Jaap Siebert aan toegevoegd, een Vitesseman wiens talenten vooral op het bestuurlijke en organisatorische vlak lagen. Hij werd secretaris, Age Blom voorzitter en Harm Klasen penningmeester. De contributie werd gesteld op 60 cent per maand voor de senioren, junioren betaalden de helft. Het bestuur stelde uitdrukkelijk, dat het een algemene vereniging werd. Iedereen kon lid worden, ongeacht rang of stand. Dat is altijd zo gebleven.
Wel heeft de vereniging een aantal jaren een ballotagecommissie gekend, omdat dat nu eenmaal in de conceptstatuten van de Bond stond. Maar gewerkt heeft die commissie nooit.
Naam
Een naam stelde de oprichtingsvergadering niet vast. Het bestuur hield aanvankelijk het oude vertrouwde 'Vitesse' aan. Zo meldde de nieuwe club zich ook bij de Bond. Maar deze aanduiding voldeed niet, onder andere omdat die geen recht deed aan het fusiekarakter van de vereniging. Dit vereiste een naam, die op geen enkele manier verband hield met die van de al bestaande clubs. Uiteindelijk bedachten de jongens in de eerste 'skure' -Klaas Fuite was net begonnen met de eerste kokosfabriek -de naam Sportclub. De Bond voegde daar Genemuiden aan toe om verwarring met clubs met dezelfde naam te voorkomen. De eerste ledenlijst vermeldt geen club tenue. Maar in 1932 was er al het nu zo vertrouwde verticale groen-wit met zwarte broek. Het shirt van PEC heeft daarvoor model gestaan. Er waren in de beginperiode namelijk nogal wat relaties met deze Zwolse club.
Dertig leden
Sportclub begon met zo'n dertig leden. Twintig staan er vermeld op de ledenlijst van 1931, maar dat is waarschijnlijk zuinig geteld. Zo ontbreken bijvoorbeeld de namen van de bestuursleden. In 1932 gaf Sportclub maar vijftien leden op -één elftalgroep. Ieder lid meer kostte tenslotte extra bondscontributie.
Bestuurslid Jaap Hammer schreef in een aanbeveling voor een lijstcollecte, dat door de voetbalvereniging '50 jongelui in de gelegenheid worden gesteld ene goede ontspanning te genieten'. Je mag echter aannemen, dat deze telling wat al te optimistisch was. Dat maakte het collectedoel alleen maar aantrekkelijker. Het ledental bleef de eerste jaren vrij constant, zelfs in 1938 betaalde nog maar een dertig man contributie, zo herinnert Marten Visscher zich.
Combinatie
Bekijk je de ledenlijsten dan was het eerste Sportclub een versterkte combinatie van Vitesse en VlOS. Aanvankelijk werd voor het eerste geput uit de wat oudere Vitesse groep, de VlOS-groep leverde de reserves. Doelman B.J. v.d. Steeg van VlOS keepte de eerste wedstrijden. Al spoedig werd hij vervangen door Vitesse man B.J. Altena, die in een toernooi in Hasselt zijn kunnen bewees. Na ongeveer een halfjaar veroverde de toen vijftienjarige Jan Eenkhoorn als eerste oud-VlOS-lid een vaste plaats. Na hem volgden er snel meer. Stormvogels bleef voorlopig aan de kant staan. De mannen in het blauw waren namelijk allen jonger dan twaalf jaar en mochten niet in de kompetitie uitkomen. Wel in seriewedstrijden en dat deden ze dan ook, maar onder hun eigen naam. In 1932 ging de club in zijn geheel over en kwam toen als tweede elftal uit in de kompetitie. Bij deze groep behoorde ook het huidige lid van verdienste 'ome' Cor van Dijk. Het begin van Sportclub luidde niet het eind van de andere club in. Integendeel zelfs. Weliswaar kwamen de beste voetballers in het groen-wit, maar het straatvoetbal bleef bestaan en bloeide zelfs tot in de zestiger jaren. Zij het, dat oude clubs verdwenen, nieuwe doken op. Er werden zelfs volledige kompetities gehouden en veel voetballers van naam pikten de eerste beginselen van het spel op van de straat.
Bestuur
Het bestuur bestond in de beginperiode uit vijf man en dat was niet veel, gezien de berg problemen. Er was een taakverdeling. Voorzitter Age Blom, die voor zijn werk tussen Genemuiden en Hasselt pendelde, zorgde voor het persoonlijk contact met de clubs uit omringende plaatsen. Secretaris jaap Siebert begeleidde het eerste elftal op het mentale vlak. De elftalgroep kwam daartoe bijeen op de zolder van de fabriek van zijn vader, die deze juist had gebouwd. De zolder deed ook dienst als ruimte waar de nazorg van de geblesseerden plaats vond.
Harm Klasen was elftalleider-coach en maakte tot in de oorlog elke week de opstellingen van alle elftallen. Ook was hij de 'verbindingsman' tussen de voetbal en de mensen in Fuite's fabriek, in de beginfase de harde kern van de toen nog kleine supportersschare. Klasen was ook de eerste penningmeester, maar hij droeg het beheer van de penningen al gauw over aan jaap Hammer.
Hammer was in die beginperiode van onschatbare waarde. Hij fungeerde min of meer als sponsor. Hij organiseerde dadelijk na de oprichting een lijstcollecte. Die leverde in totaal f 31,50 op Hammer opende de lijst met een gift van maar liefst f 5, (zo ongeveer een half arbeidersweekloon!) Verder schonk hij Sportclub de doelpalen voor het terrein aan de Veerweg en vaak schoot hij het geld voor bij grote uitgaven, zoals huur, of geld voor de aanschaf van ballen. Af en toe schoot hij het geld er zelfs bij in .De spelers overtuigden hem er dan van dat hij z'n lening maar moest omzetten in een gift.
De postmeester bleef tot zijn dood supporter en benoemde zichzelf tot het eerste erelid van de voetbal. Hij beweerde namelijk steevast deze titel te bezitten, hoewel geen enkele vergadering hem deze verleend had. Hammer bedankte in 1937 schriftelijk voor het lidmaatschap. Zelfs deze brief eindigde hij met zijn gebruikelijke kreet 'Lang leve Sportclub'.
Als penningmeester werd hij opgevolgd doorjan Willem Groothuis, die na een jaar de clubkas overdroeg aan Marten Visscher. Deze nam de functie gedurende twintig jaar waar. Voorwaar een indrukwekkende periode, die echter nog werd overtroffen door jan Eenkhoorn. Deze werd in 1934 tot bestuurslid gekozen. Daarna diende hij Sportclub 34,5 jaar als bestuurslid, meestal als commissaris. Tweemaal nam hij het voorzitterschap waar. In het begin vergaderde het bestuur eenmaal per week in de gastvrije woning van de Klasens. Later kwam men wat minder druk bijeen. Ter tafel kwamen onvermijdelijk steeds twee punten, die voor alle sportverenigingen van het grootste belang zijn, maar voor de jonge Sportclub wel bijzonder nijpend: de accommodatie en de financien.
Veld Veerweg
De accommodatie was, zeker vanuit deze tijd bezien, uiterst schamel. De gemeente had Sportclub een terrein aangewezen langs de Veerweg, ongeveer waar nu de zuiveringsinstallatie staat. De voetbalvereniging was onderhuurder, dat wil zeggen, dat een boer het land huurde van de gemeente en Sportclub huurde het dan weer van de eerste pachter. Tenslotte was het land goed voor een vijftal pinken en die waren er door de week dan ook de baas. Het schijnt wel eens voorgekomen te zijn, dat de boer het land ook op zaterdag nodig meende te hebben. Dan konden de heren voetballers de doelpalen meenemen en elders hun heil zoeken. Ze gingen dan naar de Top of naar de ijsbaan. Buiten dat, was het veld op zich niet zo erg geschikt om er op te voetballen. Het lag nogal laag en was dus drassig; langs de lijn liep een soort verhard pad; het liep sterk af naar één kant. Met vereende krachten probeerde men daar wat aan te doen. Wethouder Evert Schaapman, zelf grondwerker, kwam vaak kijken en gaf dan advies. Desondanks bleef het een moeilijk terrein. 'Alleen als de zon tenminste vijf dagen in de week wilde schijnen was het veld goed, anders was het modder wat de klok sloeg. Later is het veld echter verschillende malen opgeknapt en konden we ons er mee redden', zo blikte Harm Klasen terug bij het 25-jarig jubileum. En even verder: 'Er waren zaterdagen dat we met angstige spanning naar de scheidsrechter stonden te gluren, wat zou hij doen, afkeuren of laten spelen? En als dan de tegenpartij eens mopperde over de modder, dan was het meestal de scheidsrechter die zei: 'Jongens jullie zijn hier nu eenmaal, jullie moeten dan maar spelen ook'. Einde citaat.
Door het drassige veld en omdat hij van tijd tot I:tijd in de sloten rond hel: veld verdween werd de bal loodzwaar. In de beginperiode kende Sportclub dan ook weinig kopspecialisten. 'Je paste wel op, want wie veel kopte ging met hoofdpijn van het veld', aldus Jan Huisman, tweebenig midvoor en hardschietend goalgetterter uit die tijd.
Huur
Sportclub had dus een terrein en niets stond het voetballen meer in de weg. Dat was maar betrekkelijk, want: de huur en subsidie was er niet bij. Klasen daarover: 'Het lag natuurlijk ver boven onze begroting de huur op te brengen. Maar we dachten als we er maar eenmaal zijn, dan komt dat wel in orde. En het kwam in orde. We hebben er het lopende jaar zoveel afgepingeld, dat we onze schulden konden voldoen'.
Dat ging zolang goed, totdat de crisis door begon te knijpen en de contributie niet zo vlot meer binnenkwam. De huur kon er niet meer af en Sportclub ging weer her en der spelen rond Genemuiden. Een dergelijke noodmaatregel was in die dagen blijkbaar niet geheelongebruikelijk. Zo berichtte ook het Meppeler MJV in die dagen de Bond, dat het geen terrein meer had.
In Genemuiden had de noodsprong het beoogde effect en nog meer. De boeren waren de situatie al gauw zat. Weliswaar bleven ze het zonde vinden van het weiland, maar van felle tegenstanders werden ze gematigde voorstanders voor een voetbalveld. Op die manier was je van overlast elders verlost. Sponclub werd nu zelfs hoofdhuurder van het terrein voor f 50, per jaar.
Kleedkamer
Een kleedkamer was aanvankelijk een ongekende luxe. De spelers kleedden zich om in twee bovenzaaltjes van het café Schippers Welvaren aan de Kaai. Vandaar liepen ze, al dan niet in konvooi, maar in ieder geval in tenue, naar het veld. En na afloop uiteraard weer terug. Het café stond dan ook boven de ledenlijst als clublokaal. Dat was in die tijd minder ongebruikelijk dan nu. Meer clubs hadden een bijzaal van een café als kleedlokaal, zoals Giethoorn en MSC Meppel. In Oldebroek kleedde men zich zelfs
om in de woonkamer van een boerderij.Kastelein Siebren Groothuis had veel hart voor de voetbal. Zijn zaal was min of meer een clubhuis en zijn zaak lag uiterst gunstig op de weg van een dorstig supporter. Zijn betekenis was echter groter: hij leverde drie voetballende zoons, gaf nogal eens goede adviezen en bleef niet altijd doof bij financiële hulpkreten. Toch gingen de zaken voor het meisje. Zoon Willem, succesrijk voorhoede speler, weet zich namelijk te herinneren dat hij en zijn broer Jan Willem om de beurt corvee hadden. Ze moestep dan bedienen en konden pas op het laatste moment naar het veld. De dorstige kelen van de supporters moesten eerst worden gesmeerd.
'We bedienden dan in de voetbalplunje, anders konden we niet op tijd op het veld zijn en dan moesten we nog draven'.
De eerste echte kleedkamer kwam pas in 1942. Sportclub kocht toen met medewerking van B en Ween keet van de zwemverenging. Die stond bij Bestevaer, aan het Zwartewater, halverwege het Veer en de Ketting. De keet werd met gezamenlijke krachten afgebroken. Het transport naar de Veerweg was blijkbaar een hachelijke zaak, want Sportclub verloor daarbij bijna een bestuurslid, Jan Eenkhoorn.
De keet werd namelijk met behulp van een bok overgebracht. Als volleerde zeelui manoeuvreerden de bestuursleden Siem Bakker en Jan Eenkhoorn de bok vanuit het Zwartewater de Bermsloot in, via het sluisje bij het Veer. Door de sterke stroom schoot de bok op een gegeven moment tegen de sluismuur en een gedeelte van de keet, alsmede roerganger Jan Eenkhoorn verdwenen overboord... Kleedkamer en Jan Eenkhoorn werden met vereende krachten uit het water gehaald en bleven gelukkig beschikbaar voor Sportclub Genemuiden.
De keet telde slechts één vertrek, waarin beide elftallen en de scheidsrechter zich moesten omkleden. Ook ontbrak elk sanitair. Je moest je thuis maar wassen. Toch was het de eerste opstal die de vereniging bezat en als zodanig was men er niet weinig trots op.